Ze liep onder de boog door, de boog die ze zelf had betaald, terwijl de muziek bleef spelen. Ze liet de bruiloft die ze mogelijk had gemaakt achter zich, de mensen die vreemden voor haar waren geworden, en de zoon die haar zojuist het gevoel had gegeven dat ze er niet toe deed. De taxichauffeur stond nog steeds op haar te wachten.
'Bent u iets vergeten, mevrouw?' vroeg hij.
'Ja,' antwoordde Denise, haar stem trillend van een mengeling van woede en teleurstelling. 'Ik was vergeten wat voor zoon ik heb opgevoed.'
De rit naar huis verliep in stilte. Denise zat achterin, haar gedachten verdoofd. Woede en vernedering brandden diep vanbinnen, maar er waren geen tranen meer over om te laten vallen. Ze was gebruikt, van elk greintje vriendelijkheid beroofd en weggegooid toen ze niet meer nodig was. Richard en Susan wilden haar niet; ze wilden haar geld.
Het appartement voelde leeg aan toen ze aankwam. De roze jurk, ooit een symbool van feestelijkheid, leek nu misplaatst. Ze trok hem uit en gooide hem op de grond. Haar blik bleef hangen op een foto van Robert aan de muur – de man die dit nooit had laten gebeuren. Hij zou aan haar zijde hebben gestaan, Richard hebben geconfronteerd en gezegd: "Jij bent mijn zoon niet." Maar Robert was er niet meer. Nu was er alleen nog Denise.
Even overwoog ze een vriendin te bellen of een slaapmiddel te nemen om aan de zware pijn te ontsnappen. Maar ze deed het niet.
De vrouw die die avond thuiskwam, was niet dezelfde vrouw die was vertrokken. De vernedering had iets in haar wakker gemaakt – iets wat ze lange tijd had weggestopt onder de eisen van het moederschap en het gezinsleven.
Denise had jarenlang het bedrijf van haar overleden echtgenoot Robert gerund, de financiën beheerd, contracten afgehandeld en moeilijke beslissingen genomen. Ze kende de waarde van geld en wist hoe ze voor zichzelf op moest komen. Ze was niet iemand die zomaar aan de kant werd geschoven. Ze was niet zomaar de grootmoeder, de moeder, de vrouw die ze hadden gebruikt. Nee, nu was ze ie